1200 jaar souvenirs op de Mont-Saint-Michel

De gratis pendelbussen naar de Mont-Saint-Michel zijn een verhaal apart: omdat op de 2,5 km lange brug keren niet mogelijk is, hebben de bussen twee voorkanten. Ze maken dus kop, net als een trein. De chauffeur klapt na elke rit de spiegels in en uit, verandert de koplampen in achterlichten en omgekeerd en loopt naar de andere kant.

Gewapend met foldertjes en plattegronden van het Office du tourisme dat vlakbij de ingangspoort is gevestigd, verkennen we het eilandje. De Mont is een 80 m hoge granieten rots waarop in de achtste eeuw een eerste versie van de aan Sint Michaël gewijde abdij is gebouwd. De bijzondere plek trok al snel veel pelgrims, die bij laag water over de zeebodem naar het eiland konden lopen. Veel pelgrims namen te grote risico’s bij de oversteek en werden verrast door het opkomende tij of zakten weg in drijfzand. De pelgrims die het wel haalden kregen gratis onderdak bij de monniken en kochten – ook toen al – souvenirs.

Het dorpje op de Mont heeft ongeveer veertig bewoners, en je mag daarom niet óveral komen. Maar op veel plekken wel, en je hebt naarmate je hoger komt een prachtig uitzicht over de baai.

Het wemelt van de winkeltjes en horeca. Een beroemd restaurant is dat van La Mère Poulard, die in de tweede helft van de negentiende eeuw de gewoonte had alvast een omeletje te serveren aan hongerige pelgrims die zaten te wachten op de hoofdmaaltijd. Die omeletten schijnen ook nu nog bijzonder te zijn, maar gezien het prijsniveau houden wij het bij kijken-niet-kopen.

De Mont is een toeristencircus, maar juist dat circus maakt het ook boeiend. Hoe regel je de logistiek van al die duizenden bezoeker per dag? Vandaag lukt het in ieder geval prima. Het is gezellig druk met mensen vanuit de hele wereld, maar niet te, en we krijgen goed mee waarom dit eiland zo beroemd en geliefd is. Het is echt alle moeite waard. Om het bezoek compleet te maken gaan we ook naar de Abdij. De toegangsprijs bedraagt tien euro, en voor dat geld ben je wel een uurtje zoet. Er wonen nog steeds monniken, dus een groot gedeelte is niet toegankelijk, maar dat merk je nauwelijks omdat de rest erg ruim is en je door alle gangen en trappen het overzicht al snel verliest.

We verlaten de abdij zoals bij de veel attracties: via de souvenirwinkel.

Eenmaal terug bij de camper, die we op de parkeerplaats van Hotel Vert hebben achtergelaten, gaat de zon schijnen. We maken we snel nog een zonfoto van de Mont voordat we Normandië verlaten en naar Bretagne vertrekken.

Meteen over grens van Bretagne gaan we naar de eerste menhir van deze trip: de Menhir du Champ Dolent. Je kunt er langs de weg parkeren. Hij staat helemaal alleen in al zijn negeneneenhalve meter hoge glorie op een grasveldje met picknicktafels en informatieborden. Daarop staat onder meer te lezen dat niemand eigenlijk weet waarom mensen ooit de niet geringe moeite namen om een menhir uit te hakken en neer te zetten. Je kunt je eigen fantasie lekker op de loop laten gaan en de speciale sfeer van de plek op je in laten werken.

De Mont-Saint-Michel heeft landinwaarts een soort zusje: de Mont Dol. Een fikse granieten rots die 65 m omhoog steekt. Deze Mont was ooit ook een eiland, maar in de 14e en 15e eeuw is het gebied eromheen ingepolderd. Grappig genoeg heet het ook zo: ‘polders’ staat op de kaart. Op weg ernaartoe rijd je door vlak polderlandschap, wat natuurlijk wel iets bekends heeft, alleen wemelt het er van de granieten huisjes met Bretonsblauwe luiken. Bij de Mont Dol parkeren we bij de begraafplaats langs de Rue de l’Eglise, en lopen via een voetpad omhoog omdat we denken dat dat lekker snel gaat. Maar Martijn stapt onderweg in een drol, en gezien het wc-papier eromheen is het geen hondendrol. Dus voor hem heeft die hele Mont Dol afgedaan (what’s in a name). Hij loopt alleen maar te schrapen en te griezelen van zijn eigen schoenen. Het uitzicht is mooi, en er is ook nog een graanmolen op de top, die door vrijwilligers wordt gerund.

Morgen staat het oesterstadje Cancale op ons programma en we strijken in de buurt neer op de Camping Municipal de la Pointe du Grouin. Een fijne camping op een werkelijk fenomenale locatie.

De camping ligt pal aan zee, langs de GR 34, de Grande Randonnée 34, een lange-afstandswandelpad dat ruim 1800 km langs de hele Bretonse kust loopt. Het heet ook wel sentier des douaniers, omdat het in 1791 oorspronkelijk is aangelegd om smokkelaars te betrappen (en op te pakken). We lopen hem ook: één kilometer naar de Pointe de la Grouin, een rotspunt die de baai van de Mont-Saint-Michel begrensd. Het is allemaal waanzinnig mooi. Het is hoog water, de zee is diepblauw, we kunnen kijken naar de Mont aan de ene kant en Cap Fréhel aan de andere kant.

Vlakbij de camping kun je afdalen naar de zee, en glibberend op de rotsen poetst Martijn zijn schoenzool in het frisse zeewater. Het profiel ziet er eindelijk door en door schoon uit.

Vandaag gereden: 65 km (en gelopen: 17450 stappen (12,8 km), en het equivalent van 79 trappen)

 

Eén reactie op “1200 jaar souvenirs op de Mont-Saint-Michel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *