Het kuuroord van Asklepios

Na twee nachten in de zilte zeewind is de camper bedekt met een laag zout. We gaan hevig in de weer met een teiltje, doekje en warm sopje zodat we weer veilig de weg op kunnen. Het was een mooie plek, zo aan zee, maar het is tijd voor wat anders. Een andere camping, met een minder lawaaiig publiek. (Je kunt niet alleen pizza’s laten komen, maar ook meisjes – en als zo’n hooggehakt wiebelig typje zich eenmaal volgegoten ontpopt tot een luidruchtig feestbeest… oef. En Griekse kinderen, slapen die niet of zo? Hoe kan het dat ze tot twee uur ’s nachts uitbundig buiten spelen?)

Wat we gisteren op de fiets niet meekregen, kopen we vandaag bij de supermarkt in winkelcentrum Mare West. Het parkeerterrein ziet er uit als al dit soort parkeerterreinen in andere landen, alleen ontbreken de prullenbakken en komt er rustgevende muziek uit grote luidsprekers die aan de lantaarnpalen hangen. En het is vrij leeg voor een zaterdagochtend – de mensen moeten er zeker nog aan wennen.

Onderweg naar Epidaurus nemen we de mooie kustweg. Ook hier zien we, net als de eerste dag, opeens roadkill liggen waar onverwacht beweging in komt: een schildpad met het formaat van een kleine hond. We kunnen hem ontwijken, zetten de camper stil met de alarmlichten aan en rennen terug naar de schildpad. Hij trekt zijn koppie verschrikt naar binnen als ik hem optil en hem even in de lucht hou voor de file toeterende auto’s die inmiddels is ontstaan. Ik ben een beetje geërgerd vanwege dat toeteren, maar het blijkt dat dat ten onrechte is. Iedereen is juist erg enthousiast en passeert ons met opgestoken duim. (Dat had ik kunnen weten – toeteren in Griekenland betekent vaak: ‘Ik zie je’. Het is geen agressie, maar een groet, of een waarschuwing dat ze passeren of opzij gaan.)

We bezoeken het theater van Epidaurus, wat niet alleen een theater is, maar een kuuroord – van Asklepios zelf nota bene – zoals de oude Grieken dat fijn vonden. Dit is een complex waar je de omgeving goed op je kunt laten inwerken: je ruikt de kruidige geur van de schaduwgevende pijnbomen, wordt bijna verdoofd door het sonore gezang van de cicades en ziet waar de indertijd witmarmeren gebouwen in het landschap stonden. Het enorme theater uit de vierde eeuw v.C. is goed bewaard gebleven en na een restauratie in de jaren vijftig van de vorige eeuw is het zelfs weer in gebruik als theater: er worden toneelstukken opgevoerd en deze zomer is er een muziekfestival. Nu lopen er vooral toeristen, maar er liggen kussentjes klaar op de onderste rijen en de lampen staat gebruiksklaar. Leven in zo’n oud gebouw, dat is geweldig.

Asklepios is zelf met een soort keizersnede geboren, maar dan wel een nogal gewelddadige. Zijn moeder was de mooie jonge prinses Koronis, die korte tijd de geliefde van Apollo was. Maar zwanger van hem, viel ze voor de charmes van een ander. Apollo was hevig gekrenkt en vroeg zijn zus Artemis om voor hem wraak te nemen. Artemis bestookte het paleis van Koronis met pestpijlen, en veel mensen werden ziek. Apollo kreeg spijt van zijn wat overtrokken reactie en zocht Koronis op, maar hij was te laat: ze lag al dood op de brandstapel. Net op tijd sprong Apollo door het vuur en sneed hij de nog levende baby uit haar buik. Hij gaf het jongetje de naam Asklepios en bracht hem onder bij de centaur Cheiron, die hem alles over natuurgeneeskunde leerde wat hij wist. De jonge Asklepios had een natuurtalent voor de geneeskunst en hielp mens en dier. Een van die dieren was een slang, die zo dankbaar was dat hij Asklepios aan zijn oor likte en hem zodoende talloze geneeskunst-geheimen toevertrouwde. Nog steeds is de staf van Asklepios waar een slang omheen kronkelt het beeldmerk van geneeskundige diensten.

Volgens de overlevering heeft Asklepios het kuuroord in Epidaurus zelf opgericht. Hij volgde daarbij een integrale aanpak: lichaam en geest moeten beide in harmonie zijn. Dus waren er niet alleen ziekenzalen en behandelruimtes, maar ook tempels, hotelaccommodatie, badhuizen en natuurlijk het theater, want kunst en cultuur zijn goed voor de mens. En een stadion, ook sporten is immers gezond.

In Tolo slaan we ons kamp op bij Nikos en Vasiliki die Camping Sunset uitbaten. We krijgen een hartelijk welkom en Nikos wijst ons een ruime plek tussen de olijfbomen en onder een schaduwnet.

Ook op deze camping lopen weer talloze katten rond. En de twee honden van Nikos en Vasiliki. Nikos ergert zich rot aan de katten, maar weet geen oplossing. “Mensen dumpen hun dieren hier omdat ze denken dat ze zich wel redden op een camping,” vertelt Vasiliki. “Eerst hadden we twee katten.” Ze zucht. “Maar nu zijn het er twáálf!” Hun eigen vier dieren zijn gechipt, krijgen dure medicatie tegen parasieten en slapen ’s nachts binnen, de andere moeten zich inderdaad maar zien te redden.

Vandaag gereden: 210 km

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *